Het Museum

Vanaf 1860 koesterde de Stad Brussel, die op dat ogenblik een historische en stedenbouwkundige kentering doormaakte, de idee om een plaatselijk museum op te richten. Er werd begonnen met het verzamelen van allerlei getuigen van het Brusselse verleden. Daarnaast vroeg men aan enkele kunstenaars om de wijken die zouden worden afgebroken te vereeuwigen. 

Karel Buls, burgemeester, en Alphonse Wauters, archivaris, stonden aan de wieg van het project en de creatie van het eerste stedelijke museum. Het werd ingericht op de tweede verdieping van het Broodhuis en opende zijn deuren in 1887. Toen reeds stond Karel Buls een dubbel doel voor ogen. Enerzijds wou hij zich richten tot de buitenlandse bezoeker, zodat die wat meer tijd zou doorbrengen in Brussel. Anderzijds moest de geschiedenis van de stad op begrijpelijke wijze voor de lokale bevolking uit de doeken worden gedaan. 

In dit gebouw, een symbool van historische en culturele rijkdom, wordt door de verantwoordelijken van het Museum, parallel met het Stadsarchief, sinds het einde van de 19de eeuw onderzoek verricht en een verzameling aangelegd met als doel meer inzicht te verkrijgen in het Brusselse verleden. Daarvan getuigen de gevarieerde collecties die het resultaat zijn van belangrijke schenkingen (in de begindagen van het Museum schonk een mecenas, John Waterloo Wilson, een belangrijke verzameling), archeologische opgravingen en het systematisch verzamelen van kunstwerken en voorwerpen die een beeld geven van de Brusselse kunstambachten en folklore, en de ontwikkeling van deze stad in al haar aspecten. 

Vandaag zet het Museum van de Stad op actieve wijze zijn belangrijkste opdrachten van openbare dienst verder. Dit zijn: de wetenschappelijke studie van het Brusselse erfgoed voortzetten, het bewaren en het verrijken ervan, alsook dit erfgoed ontsluiten voor een zo groot mogelijk publiek. Het museum organiseert op zijn tweede verdieping ook tijdelijke tentoonstellingen waarbij het heden en het verleden van de stad met elkaar verbonden worden.