Een kus uit Neder-Over-Heembeeck, 20ste eeuw © Privé-verzameling

Neder-Over-Heembeek | Identiteit

Neder-Heembeek en Over-Heembeek waren voorheen tweelingdorpen, het ene stroomopwaarts, het andere stroomafwaarts van ene Heembeek [letterlijk: ‘woonst bij de beek’] die in de Zenne uitmondde op haar linkeroever. Elk had zijn kerk en zijn uitsluitend landelijke gemeenschap. Voor de fusie-annexatie van 1921 maakten ze zelfs geen deel uit van de achtertuin van Brussel: administratief hingen ze af van het kanton Vilvoorde (ongeveer 5,5 km verderop). In vogelvlucht liggen ze op 7 km van de Brusselse Grote Markt. Voeg daarbij de afzondering vanwege de hindernissen die het kanaal en het Lakense koninklijk domein vormen en je zult het particularisme begrijpen dat al lang aanwezig is in deze afgelegen wijk van de hoofdstad. In 1814 legde Napoleon hen een eerste fusie op. In de jaren 1970 sneed de Ring (R0) de wijk zelfs af van zijn groene Vlaams-Brabantse hinterland (domein Drie-Fonteinen te Vilvoorde).

Een kus uit Neder-Over-Heembeeck, 20ste eeuw © Privé-verzameling

De Heembeekenaars waren voor de annexatie van 1921 voor meer dan 95% Nederlandstalig wat ook tot uiting kwam in een belangrijk katholiek activisme en leverde flamboyante maar innemende persoonlijkheden op en de eerste bakermat van de jeugdbeweging Chiro.

In tegenstelling tot Laken was N-O-Heembeek niet echt ‘aangesloten’ op de waterweg van de Willebroekvaart. Het dagelijks leven van de Heembeekenaars volgde enerzijds het ritme van de seizoenen tussen omploegen, tuinbouw en moestuinen op de rijke alluviale gronden van de linker Zenne-oever en anderzijds het ritme van de nog levendige folklore van de (vaak concurrende!) fanfares en natuurlijk de zondagsmis in één van de twee eeuwenoude kerken, Sint-Pieter en Sint-Niklaas. Welstellende Brusselaars, echter, kwamen er genieten van de nieuwe watersporten. Vanaf 1865 vestigden zich twee roeiverenigingen langs het kanaal.

O. Le May, Meudonskasteel in Neder-Heembeek, 1783 © Urban.Brussels

Reeds in het begin van de 20ste eeuw was de wijk bestemd – althans op papier – voor een voluntaristisch geplande stadsuitbreiding. Toch was het vooral de industrialisatie (cokesfabrieken en chemische fabrieken van Marly, Brouwerij-Maalderij ‘de la Marine’ uit het interbellum) die de wijk en zijn inwoners van streek maakten, in groten getale bekeerden ze zich tot het proletariaat.

Verdwenen zijn de ‘laiteries’, ‘tavernes’ en ‘campagnes’ (zomerverblijven van adellijke en burgerlijke families) die ooit buurtbewoners en Brusselaars gemoedelijk bij mooi weer hadden aangetrokken, maar ook de windmolen en de watermolen verdwenen snel na de Eerste Wereldoorlog.

Ook al zorgden de wijken Versailles-Beizegem en Mariëndaal voor een groeiend aantal inwoners met bescheiden inkomens, toch werd Heembeek in de jaren 1970 tot 2000 beschouwd als dé groene wijk bij uitstek in het noorden van het Gewest. Sindsdien hebben veel woonwijken (de Beukenootjesstraat, Groenweg, Bruynstraat, Kraatveld, enz.) een einde gemaakt aan wijde braakliggende percelen om aan de behoeften van de Brusselse demografie te voldoen.

Het gemengd karakter van de bevolking is duidelijk toegenomen, vooral ten nadele van de Vlaamse gemeenschap die nog steeds erg aanwezig en (re)actief is maar zich in een minderheidspositie bevindt. Tussen de twee gemeenschappen is er echter een sterke en ontspannen toenadering aan de gang, terwijl ze zich allebei openstelden voor diversiteit.

O. Le May, Meudonskasteel in Neder-Heembeek, 1783 © Urban.Brussels

Begijnendal vandaag © B. Elleboudt

Wat de natuur betreft, ze wordt door Heembeekenaars sterk aanzien als een integraal onderdeel en identiteit van hun wijk. Dat ze het eindeloze structurele gebulder van vliegtuigen zullen moeten ondergaan, daar zijn ze zich terdege van bewust, met andere woorden totdat alle overheden daarover een akkoord hebben bereikt. Aan de andere kant houden ze van de groene ruimtes die overblijven na deze bouwwoede; het is hun oogappel. Heembeekenaars van recente datum of stamheembeekenaars (what’s in a name…), uit vrije keuze of door het lot bepaald (wachtlijsten van sociale woningen), allen zijn ze van plan hun groene wijk te verdedigen. Minder voor een stedelijke ‘vergroening’ (doch welkom) dan voor het behoud van samenhangende gehelen die naam waardig zijn. Politici zullen hier rekening mee moeten houden.

En tenslotte nog dit: zeg nooit “ik ben van Neder” (nog erger voor Franstaligen die eigenlijk op “Over” wonen!) maar geef de voorkeur aan “Heembeek”! Vlamingen en Franstaligen, samen één om dezelfde roepnaam van hun wijk te hanteren mét hetzelfde accent.

Benoît Elleboudt (De Groene Wandeling van Neder-Over-Heembeek vzw)

Begijnendal vandaag © B. Elleboudt

Verken de getuigenissen